De man die wij nu kennen als de heilige Nicolaas, Sinterklaas of zelfs Goedheiligman, werd omstreeks het jaar 270 in Patara geboren, een stad aan de zuidkust van het huidige Turkije, ten westen van het huidige Kalkan, ongeveer op de plek die nu Gelemis heet. Toen heette het land nog geen Turkije, het werd Klein Azië genoemd of Anatolië en hoorde zoals gezegd bij het grote Romeinse rijk. De Turken kwamen pas in de 11e eeuw vanuit de Mongoolse vlakten ver voorbij Kaukasus en Oeral naar het westen, waarschijnlijk net als de Germanen in de 4e en 5e eeuw vanwege slechte oogsten en hongersnood. De hele geschiedenis door zijn volkeren en stammen op zoek gegaan naar een beter bestaan, steeds een eindje verderop, zodat ze in de loop van honderden jaren op een heel andere plek uitkwamen dan waar hun voorouders ooit geboren waren. Na twee of drie generaties wist men niet beter of men had er altijd al gewoond. Zo is elk volk uiteindelijk een mengeling van veel stromingen uit vroeger tijd geworden en zijn we eigenlijk één grote familie – helaas weet niet iedereen dat, en helaas zijn er ook in families wel ruzies die slecht aflopen.

Oude Romeinse triomfboog bij Patara, Turkije
In de tijd waarin Nicolaas werd geboren, werden de grenzen van het Romeinse rijk meestal bewaakt door de laatst binnengelaten volkeren die zich daar mochten vestigen als ze tegelijk – natuurlijk ook in hun eigen belang – nieuwe immigranten tegenhielden. Een werkelijk geniale oplossing voor een gebied met zulke lange grenzen: Germaanse stammen bewaakten de grenzen in het noorden en westen, de Noord Afrikanen in het zuiden van het rijk. In het oosten was er het Oeralgebergte dat Aziatische gelukzoekers tegenhield, maar ten zuiden daarvan, langs de Kaukasus lag een open route waarlangs een eeuw later ook de Hunnen en Magyaren het rijk zouden binnenkomen maar daar was rond 300 nog geen sprake van.
Ten tijde van Nicolaas lag Patara dus nog steeds veilig en goed beschermd in het grote Romeinse rijk. Zijn vader was graanhandelaar waarmee hij tot de rijkste mensen van de streek behoorde: niemand kan zonder brood. De economische bloei zorgde voor werkgelegenheid, goede medische voorzieningen, moderne huisvesting, uitstekend onderwijs en een gezellig uitgaansleven met theaters en gladiatorengevechten – misschien nog wel beter dan in Rome.
Patara was een grote stad waar van alles te beleven was en zo moet Nicolaas tot een soort ‘moderne’ jongere zijn opgegroeid. We weten helemaal niets van die jonge jaren, behalve wat mensen zeker honderd jaar later daarover gefantaseerd hebben, dus daar hoeven we ons niets van aan te trekken; wel zo makkelijk, want nu kunnen we onze eigen fantasie gebruiken. Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat hij zich toen al heilig gedroeg, logischer is het dat hij net als alle jongeren overal ter wereld voor alles in was: sporten, uitgaan en misschien ook wel studeren. Door het internationale karakter van de havenstad was dat allemaal mogelijk en het ligt voor de hand dat hij daarbij allerlei interessante mensen tegenkwam. Hij heeft ook vast wel zijn vader in het bedrijf geholpen, misschien wel bij graantransporten over zee: veel graan kwam per schip uit Egypte en Palestina (waar nu Israël ligt) en Nicolaas moet een prima stuurman geweest zijn, anders had de zeevaart niet zo’n belangrijke rol gespeeld bij de heiligverklaring na zijn dood. Veel transporten gingen natuurlijk naar de nieuwe hoofdstad Constantinopel en Nicolaas moet ook daar regelmatig geweest zijn. Hij verdiende veel geld met die transporten en hij liet vast en zeker zijn geld goed rollen in de eethuizen en kroegen daar, zodat hij er al gauw een graag geziene gast werd.
Wie ontmoette hij daar? Natuurlijk andere jongelui uit die stad maar je kunt je ook voorstellen dat hij daar vooral andere schippers en kooplui trof waar zaken mee gedaan konden worden. In die tijd ging het transport nog voornamelijk via de zee en de rivieren en dus zaten vooral de havensteden vol met handelaars uit alle delen van de wereld. Daar waren ook Scandinaviërs bij die de rivieren in het westen van het tegenwoordige Rusland afzakten om er hun barnsteen, bont en huiden te verkopen en weer andere producten in te kopen voor de noordelijke markten in hun vaderland. Het waren avontuurlijke types, die als geen ander de stromingen en getijden van de waterwegen kenden en zich overal thuis voelden. Halverwege Scandinavië en Constantinopel hadden zij aan de rivier de Dnjepr een halteplaats gevestigd die uitgroeide tot de stad Kiev, nu de hoofdstad van Oekraïne.
In het westen van Europa maakte men pas vijfhonderd jaar later met deze noordelijke zeelieden kennis toen zij ook aan die kant van Europa hun geluk wilden beproeven. Bij ons heten zij Noormannen, de Engelsen noemen hen Danes – het is logisch dat Denen en Noren voor de westelijke route kozen en de Zweden en Finnen eerder voor de oostelijke vaarwegen. Wij leren in onze geschiedenisboeken dat de Noormannen alleen maar roofden en plunderden maar achteraf lijkt dit beeld veel te eenzijdig. Waarschijnlijk zochten zij ook in onze landen naar mogelijkheden om handel te drijven maar troffen er geen levendige handelssteden zoals zij gehoopt hadden. Het is ongetwijfeld waar dat zij zich dus soms maar ´behielpen’ met roof uit kerken en kloosters, de enige plekken waar kostbaarheden te vinden waren. Het noorden van Europa was in die tijd nog niet tot het christendom bekeerd, dus hadden de Noormannen geen boodschap aan de heiligheid van die plaatsen waar de gouden en zilveren kunstschatten zo voor het grijpen stonden… Geen christen zou het immers wagen om uit een kerk te stelen!
Natuurlijk niet aardig van die Noormannen en ze troffen het slecht dat de geschiedenis in dit deel van de wereld uitsluitend door de monniken van diezelfde geplunderde kloosters geschreven werd zodat ze als grote schurken de historie in zijn gegaan. Afgezien van die slechte streken integreerden zij echter meestal snel in de oorspronkelijke bevolking, ook als gewone boeren, vooral in de kustgebieden van Oost Engeland en het naar hen genoemde Normandië dat ze als vestigingsgebied toegewezen kregen van de Franse koning op voorwaarde dat ze zich voortaan rustig hielden in zijn rijk. En dat deden ze ook. Het beste bewijs hiervoor is dat zij al snel geaccepteerd waren tot zelfs in de hoogste kringen toe.
Het bleven echter wel stoere zeelieden, die regelmatig contact onderhielden met het Scandinavische moederland en vanuit hun nieuwe basis Normandië ook verder trokken om zich in andere gebieden te vestigen. Zo stichtten zij in de 11e eeuw een rijk op Sicilië en ook één in het uiterste zuiden van Italië en omstreeks het jaar 1000 schijnen zij zelfs Amerika al ontdekt te hebben: er zijn vondsten gedaan waarop hun schrifttekens (het runenschrift) staan. Een ondernemend zeevarend volk dus, precies zoals men hen al langer in Oost Europa kende. Daar in het oosten heetten zij varaeger, wat zoveel als vaarlieden betekent. De naam vikingen in het westen komt van de schuilplekken in de rivieren (vik, ons woord wijk) waar ze op hun schip de nacht doorbrachten. Ook daarom dacht men in het westen dat het geen goed volk kon zijn: ze hielden zich als rovers schuil (dacht men) om de volgende dag hun plunderingen voort te zetten. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat er geen hotels te vinden waren, zoals die al wel in het oosten bestonden. We zijn gewend om van de Noormannen meteen het slechtste te denken maar misschien waren ze gewoon op reis om de wereld te verkennen, zoals ze dat over de hele wereld deden.
Zover voorlopig voor de Noormannen in het westen; later komen we nog bij hen terug. Voor ons is het op dit moment genoeg om te weten dat in Oost Europa heel anders over hen gedacht en naar hen gekeken werd.

Het beroemde Oseberg Schip, een vorige eeuw opgegraven en goed bewaard gebleven vikingschip.
* * *